In Cochrane, een stoffig plaatsje dat aandeed als een woestijnstadje (maar dan zonder woestijn) stopten we voor lunch. Op het terrasje van een saloonachtig restaurant streken we neer voor een echte wild-west bizonburger. De serveersters droegen cowboylaarzen en -hoeden. Bijna een filmset.
Na de lunch vervolgden we onze weg naar het westen, richting de Rockies. Vanuit het niets rezen de grijze rotsen op uit de velden, en toen we nog een keer met onze ogen knipperden, zaten we in een berglandschap. Daarna was het niet ver meer naar Banff, ons vakantieoord voor die week (en voor vele anderen met ons, zo bleek).
Banff is het leukste Canadese dorp dat we ooit gezien hebben (misschien na Niagara-on-the-Lake), met een schattige hoofdstraat en aan alle kanten bergen. Ons hotel was net buiten de plaats. We hadden een eigen mini-appartementje.
De volgende dag wandelden we Sulphur mountain op. Een kleine kudde bergschapen sloeg ons nieuwsgierig gade.
Eenmaal boven zagen we de zomer letterlijk verdwijnen en de herfst zijn intrede doen. De harde wind bracht zelfs de eerste sneeuwvlokjes mee. Het 360-graden uitzicht was spectaculair: beboste valleien 700 meter onder ons, waarvan we wisten dat er geen enkele menselijke aanwezigheid was. Hier en daar stond tussen de naaldbomen een geelgekleurde loofboom tegen de hellingen. Daarboven de kale grijze rotsen waar de eerste sneeuw tussen de rotsspleten bleef liggen.
De volgende ochtend werd het echt herfst. Ik had een paardrijrit geboekt, als verrassing voor Tristan. Het was koud en het miezerde, maar dat was dan maar zo. De enige andere gast bleek een Nederlandse vrouw te zijn. We reden langs een onwaarschijnlijk blauwgroen riviertje en door een geel herfstbos. Aan het eind waren we behoorlijk vernikkeld.
De regen van die dag had wel een voordeel voor onze rit over de Icefields parkway naar het noorden, dwars door de Rockies. De weg die vrijwel evenwijdig aan de snelweg door de vallei slingert. Op de bergtoppen lag nu een dun laagje sneeuw, alsof de Grote Geest met een bus poedersuiker in de weer was geweest.
De Icefields Parkway is ook de weg waar je bijna gegarandeerd wildlife tegenkomt. Bijna gegarandeerd, want we hebben niets gezien. Nou vooruit, op een paar harige witte berggeiten na dan, als kleine vlekjes tegen de berghelling aangeplakt. En die we ook alleen maar zagen omdat iemand langs de weg gestopt was en een enorme telelens tevoorschijn haalde. Het werkte aanstekelijk, want er ontstond een kleine file van natuurgluurders.
Onderweg stopten we een paar keer bij turquiosegekleurde meertjes. Al snel kwamen we erachter waar die kleur vandaan kwam. Gletsjers hoger op de berg schuren langs de rotsen, waardoor een soort fijn steengruis (rock flour) ontstaat. Dat komt in de meertjes terecht en dat weerkaatst bluawgroen licht.
Ons eindpunt van de dag was de Athabasca Glacier, onderdeel van de Columbia Icefields. Een toeristische hotspot in de middle of nowhere, waar mensen airportstyle stonden te wachten bij gates voor vertrek met een speciale bus die de gletsjer op ging. Doe moeite namen wij niet, maar in plaats daarvan wandelden we naar de voet van de gletsjer. De gletsjer trekt zich al 100 jaar terug, en onderweg er naartoe staan bordjes met waar hij in welk jaar was. Waar geen gletsjer meer is, is het landschap een dorre steenvlakte, 9 maanden van het jaar bedekt met sneeuw en ijs. Het was er koud en het waaide, maar het was erg indrukwekkend.
Op de terugweg hielden we weer onze ogen open voor wildlife. Twee mannetjeswapiti's wilden zich wel aan ons laten zien, een eindje verderop langs de spoorlijn, maar daar bleef het dan ook bij. Indrukwekkende beesten, met hun grote geweien. Onderweg stopten we bij alle weilanden waar elanden zouden kunnen zitten, maar zonder resultaat. Toch maar voorzichtig gereden, want zo'n beest wil je niet opeens voor je auto hebben.
Maar de manier om het landschap echt goed op je in te laten werken, is op de fiets. Bij het hotel huurden we fietsen en gingen we wat in de directe omgeving van Banff rondkijken. Dan voel je de warmte van de zon op je gezicht, je ruikt de zoete geur van het herfstbos en heb je veel meer tijd om alles om je heen te zien. We deden ook een mountainbikepad, met het berenbelletje aan de fiets gebonden. Je weet maar nooit. Nadeel daarvan is dat je ook al het andere wildlife de stuipen op het lijf jaagt. We hadden toch nog wat geluk, want eenmaal weer op de weg zagen we een paar wapiti's bij de bosrand.
De laatste dag reden we naar Lake Louise, alweer zo'n onmogelijk blauw meer. Ik had een leuke wandeling uitgezocht, maar was daarin niet bepaald de enige. Gelukkig waren we nog aardig op tijd. En toen we een steilere terugweg namen, waren we meteen de meeste toeristen kwijt.
Omdat we nog steeds niet echt veel wildlife gezien hadden (beren, elanden, wolven) reden we tegen de schemering een rondje via een gravelweggetje. Volgens de folder moest je hier echt wat zien. En ja hoor, opeens stond er een vrouwtjeseland op de weg. En een kalf aan de kant. En later nog een. Dus 3 moose gezien, wat blijkbaar erg zeldzaam is. We hadden geen idee hoe ver we hadden gereden, maar daarna was het nog 60 km naar de snelweg, en daarna nog 50 km naar Banff. Oeps. Het deerde ons niet, want we hadden moose gezien, op onze laatste dag in de Rockies.
Helaas, aan alles komt een eind, en we zijn nu alweer een week thuis. Maandag is het Thanksgiving (en mijn verjaardag :)), dus Tristan is bezig een pompoentaart te maken. Thanksgiving is hier een echte familiedag. Bij gebrek aan familie hier gaan we misschien met de bovenburen eten. Pompoen natuurlijk. En kalkoen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten